De stille medewerker in het team
Laure is analytisch sterk en heeft goede ideeën. Haar collega's weten dat, haar leidinggevende ook. Maar in teamoverleg komt ze nauwelijks aan bod. Ze wacht af, stelt geen vragen en als ze al iets zegt, spreekt ze zo zacht dat anderen er overheen praten. Haar leidinggevende vult de stilte in, neemt steeds meer over en vraagt op den duur niet meer naar haar mening. Waarom zou hij? Ze reageert toch niet. Laure trekt zich verder terug.
Wat hier gebeurt is voorspelbaar vanuit de Roos van Leary. Haar teruggetrokken gedrag roept leidend gedrag op bij haar leidinggevende. Dat leidende gedrag geeft Laure nóg minder ruimte, waardoor ze zich nóg meer terugtrekt. Niemand heeft dat zo bedoeld, maar het patroon verdiept zich vanzelf.
Wat kan helpen: als de leidinggevende zijn leidende rol bewust loslaat en zich afhankelijk opstelt, door expliciet om Laures mening te vragen, door daarna te zwijgen en echt te wachten, door haar inbreng concreet te benoemen en erop verder te bouwen, ontstaat er ruimte. Niet omdat Laure plots veranderd is, maar omdat het patroon doorbroken wordt.
De coach met een vastzittende coachee
Een coach werkt al een aantal sessies met Pieter. Pieter heeft een duidelijk vraagstuk, maar elke keer dat de coach een richting voorstelt, komt hetzelfde antwoord: "Ja maar, dat is makkelijk gezegd." Hij heeft voor elk voorstel een bezwaar, voor elke oefening een reden waarom die bij hem niet zal werken. De coach voelt zich steeds hulpelozer worden en begint harder haar best te doen. Meer coachvragen stellen. Meer modellen aandragen. Meer bevestigen dat ze hem begrijpt. Pieter zelf wordt er echter niet actiever van.
Wat hier speelt: het opstandige gedrag van Pieter lokt helpend gedrag uit bij de coach. En dat helpende gedrag bevestigt hem onbedoeld in zijn passiviteit. De coach lost het wel op. Hij hoeft zelf niets te doen.
Wat kan helpen: de coach kan haar helpende gedrag bewust afbouwen. Niet als straf, maar als uitnodiging. "Wat denk jij zelf?" en daarna echt wachten. De stilte laten vallen, ook als die ongemakkelijk wordt. Dat vraagt moed, want de impuls om te helpen is sterk. Maar het is precies die impuls die het patroon in stand houdt.
De twee collega's die elkaar net iets te aardig vinden
Nathalie en Bram werken samen aan een project. Ze kunnen goed met elkaar opschieten, misschien zelfs iets te goed. In vergaderingen stemmen ze altijd snel in met elkaars voorstellen. Als Nathalie een idee lanceert, knikt Bram. Als Bram een richting voorstelt, volgt Nathalie. Ze willen de samenwerking goed houden, beiden vermijden ze wrijving. Het voelt prettig, collegiaal, efficiënt.
Maar na een tijdje merkt hun leidinggevende dat het project niet vooruitgaat. De plannen blijven vaag, de keuzes halfslachtig. Niemand heeft ooit echt een kritische vraag gesteld. Niemand heeft gezegd: wacht, klopt dit wel? Nathalie en Bram hebben elkaar voortdurend bevestigd en daardoor zijn ze allebei in hun comfortzone gebleven.
Wat hier speelt: hun samengedrag roept samengedrag op. Verbinding, begrip en goedkeuring nodigen hetzelfde uit bij de ander. Dat is op zich een kracht, maar doorgeslagen wordt het vermijdingsgedrag. De neiging om de harmonie te bewaren wint het van de neiging om scherpe vragen te stellen of een standpunt in te nemen.
Wat kan helpen: als één van beiden bewust wat meer tegengedrag durft te vertonen, niet aanvallend, maar kritisch en constructief, door een voorstel te bevragen, een alternatief voor te leggen of te zeggen dat iets hem of haar niet overtuigt, ontstaat er meer diepgang in de samenwerking. Dat voelt in het begin ongemakkelijk, want het doorbreekt de harmonie die ze allebei prettig vonden. Maar het maakt het project en hun samenwerking uiteindelijk sterker.